AD Economie

Published on november 23rd, 2019 | by Irene van den Berg

0

Niet minder boeren, wel minder dieren

De overheid kan veel beter inzetten op minder dieren dan op minder boeren. Zo blijkt uit de afscheidsrede van hoogleraar Elsbeth Stassen over de toekomst van de veehouderij.

Dit is geen negatief verhaal over veehouders. Tenminste niet als het aan Elsbeth Stassen, afscheid nemend hoogleraar Dier en Samenleving aan de Wageningen University & Research (WUR), ligt. “Nederlandse boeren zijn innovatieve en hardwerkende mensen met hart voor hun bedrijf en dieren. Ik zou graag zien dat dat in het artikel komt”, zegt Stassen, die haar woorden voortdurend zorgvuldig weegt. De intensieve veehouderij, met alsmaar meer dieren per bedrijf, is volgens haar een doodlopende weg.

Wat moet er veranderen aan de intensieve veehouderij?

“Laat ik eerst uitleggen hoe de intensieve veehouderij is ontstaan. Na de Tweede Wereldoorlog was er een voedseltekort in Nederland. De overheid wilde dat er voor iedereen voedsel beschikbaar kwam tegen een lage prijs. De boeren werd gevraagd om zoveel mogelijk voedsel te produceren tegen zo laag mogelijke kosten. Ze zijn daar geweldig in geslaagd. Door nieuwe kennis van genetica en de juiste verzorging, is de productie per dier enorm toegenomen. Boeren hebben de doelstelling van de overheid verwezenlijkt.”

Maar inmiddels is er allang geen voedseltekort meer in Nederland. Waarom dan toch die focus op hoge productie tegen een lage prijs?

“Om efficiënt te kunnen produceren is decennialang ingezet op specialisatie en schaalvergroting. Een kippenboerderij bestaat bijna niet meer. Je hebt vleeskuikenbedrijven, vermeerderingsbedrijven, opfokbedrijven en legbedrijven. Vanuit zo’n gespecialiseerd systeem is het lastig omschakelen naar een kringloopsysteem met minder dieren. Daarvoor hebben boeren hulp nodig van overheid en financiers. Die hebben de intensivering van de veehouderij altijd gestimuleerd via onder meer subsidies, leningen en vergunningen. Dat zullen ze nu ook moeten doen met de omschakeling naar een duurzamere en diervriendelijkere landbouw. Dat vraagt veel meer ambitie en sturing dan er nu is vanuit overheid en banken.”

Maar zijn de boeren wel bereid om te veranderen?

“Daar staat een deel niet meteen om te springen. En dat begrijp ik ook wel. Ze hebben al zoveel op hun bordje. Nu weer de stikstofcrisis. We hollen van probleem naar probleem. En iedere keer is verdere schaalvergroting het resultaat. Dat risico ligt bij de stikstofcrisis opnieuw op de loer. Vooral de kleinere familiebedrijven zullen worden uitgekocht. De grote bedrijven blijven over. De hele keten blijkt niet in staat om naar het onderliggende probleem te kijken. We leven hier met 17 miljoen mensen in een klein land. De vraag is of je daar nog honderden miljoenen landbouwdieren bij kunt houden, waarvan de producten veelal worden geëxporteerd.”

En wat is het antwoord op die vraag?

“Ik denk van niet. Dan zeg ik niet dat de helft van de veehouders maar iets anders moet gaan doen. Minder boeren juist niet, maar minder dieren wel. De grond en arbeid zijn hier te duur voor een veehouderij die overwegend gericht is op lage kosten productie. Dat is op termijn niet vol te houden in competitie met andere landen.”

Boeren wijzen vaak naar de consument. Die zet een grote mond op over duurzaamheid en dierenwelzijn, maar koopt ondertussen wel kiloknallers. Hebben ze daar een punt?

“Nee, dat vind ik te simpel. Nederlandse boeren produceren grotendeels voor het buitenland. Pakweg 70 procent van de productie uit de veehouderij is bestemd voor de export. De invloed van de Nederlandse consument is dus gering. Daar komt bij dat de consument niet altijd goed wordt voorgelicht. Die koopt een pak melk waarop koeien in de wei lopen, terwijl de dieren in werkelijkheid maar 1/12 deel van het jaar buiten komen. Supermarkten en levensmiddelenfabrikanten moeten daar meer verantwoordelijkheid in nemen. Uit onderzoek blijkt namelijk dat consumenten wel degelijk bereid zijn om meer te betalen voor dierenwelzijn. En dat doen ze ook steeds vaker: er worden steeds meer producten met een welzijnskeurmerk verkocht.”

Begrijpt u de weerstand van de consument tegen de omgang met dieren in de intensieve veehouderij? Veel consumenten vind het wreed dat een kalfje na de geboorte niet bij de koe mag blijven.

“Ik ben ervan overtuigd dat veehouders goed voor hun dieren zorgen. Maar ze hebben wel te maken met de grenzen van het systeem. Het is binnen de huidige grote stallen heel moeilijk om een kalfje na de geboorte bij de koe te houden. Die aandacht voor dierenwelzijn was er in de jaren zestig nog nauwelijks, maar is sinds de jaren tachtig erg gegroeid. Dat komt onder meer door problemen die naar buiten komen, zoals de uitbraak van ziektes als varkenspest en vogelgriep. Daarbij werden ook gezonde dieren gedood omdat ze niet vervoerd mochten worden om verdere uitbraak te voorkomen, en de stallen anders overvol zouden raken. Binnen het huidige systeem is het doden van gezonde dieren een begrijpelijke keuze, maar moreel is het problematisch. ”

Kan intensieve veehouderij überhaupt wel samengaan met dierenwelzijn?

“Wat versta je onder dierenwelzijn? Daar is geen duidelijke definitie van. De Canadese wetenschapper David Fraser, een expert op dierenwelzijn, kwam tot drie voorwaarden: gezondheid, affectieve staat – heeft een dier plezier of pijn? – en natuurlijk leven. Dat laatste gaat erover of een dier zijn natuurlijk gedrag kan vertonen. De burger is daar erg op gericht. Die vindt het bijvoorbeeld belangrijk dat koeien in de wei kunnen lopen. Terwijl natuurlijk leven wel op gespannen voet kan staan met gezondheid. Bepaalde ziektes krijgen dieren eerder als ze buiten staan.”

Lijden dieren wanneer alles draait om goedkoop en snel produceren?

“Dat hoeft niet, maar er kan een verband zijn. Een voorbeeld is biggensterfte. Als gefokt wordt op een groter aantal biggen per worp stijgt de kans op meer zwakke biggen. De varkenssector werkt al 10 jaar aan het verlagen van deze biggensterfte. Er werd in 2009 een plan van aanpak opgesteld dat vooral was gericht op betere verzorging van de jonge dieren. Toch is de biggensterfte sindsdien verder toegenomen. Dat komt omdat er wordt gefokt op meer biggen per zeug, waardoor er meer competitie is in de baarmoeder en sommige dieren daardoor te zwak zijn. In 2002 werden gemiddeld 11,5 big per worp geboren en ging 11,7 procent dood rond de geboorte. In 2017 werden 14 biggen per worp geboren en ging 13,3 procent dood rond de geboorte. Zolang de productie per zeug niet omlaag gaat, blijft het probleem van de hoge biggensterfte bestaan.”

Hoe ziet u de toekomst van de intensieve veehouderij?

“Ik denk dat in de veehouderij het dier weer centraal zou moeten staan. De drie voorwaarden voor welzijn, zijn voor iedere diersoort weer verschillend en je moet kijken hoe je de bedrijven opnieuw kan inrichten. Dat zal vaak leiden tot minder dieren. Wij zijn een innovatief land en daarom moeten we ons veel meer gaan richten op diervriendelijk geproduceerde voeding. De vraag daarnaar wordt immers steeds groter.”

Betekent dat ook dat we minder moeten exporteren?

“We kunnen wel exporteren maar dan naar landen die dierenwelzijn ook in het vaandel hebben staan, zoals Duitsland. Vleeskuikens zijn daar een goed voorbeeld van. In Nederland zijn we omgeschakeld naar de wat langzaam groeiende rassen, waardoor de kuikens een langer en beter leven hebben. In de supermarkt kan de consument ook alleen nog vlees van die rassen kopen. Deze ontwikkeling heeft het inkomen van de veehouder niet nadelig beïnvloed. De export is nog steeds overwegend producten van snelgroeiende kuikens. Maar de verwachting is dat in de belangrijkste exportmarkt, Duitsland, de vraag naar producten van langzaam groeiende vleeskuikens zal toenemen en dus zou het hele systeem kunnen omschakelen. Minder export is dus niet altijd nodig, maar wel naar de juiste markten.”

CV Elsbeth Stassen

1953    Geboren in Breda.

1971    Diergeneeskunde aan de Universiteit Utrecht (UU),

1977    Veearts in Benschop, Veldhoven en Den Ham

1979    Promovendus aan de Faculteit Diergeneeskunde
(UU)

1985    Associated professor aan de Faculteit
Diergeneeskunde (UU)

1996    Bijzonder hoogleraar ‘Mens dier relaties’ De
Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.

2004    Hoogleraar ‘Dier en Samenleving’ aan Wageningen
University & Research (WUR).

Stassen was in 2001 lid van de Commissie Wijffels die het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit adviseerde over de toekomst van de veehouderij in Nederland, na het uitbreken van mond- en klauwzeer in Nederland in 2001.

De intensieve veehouderij is een doodlopende weg


About the Author

Journalist en columnist, gespecialiseerd in financiële psychologie. We maken vaak irrationele keuzes als het op onze portemonnee aankomt. Irene zoekt uit waarom.



Comments are closed.

Back to Top ↑